We zeggen het graag in de zorg: de patiënt staat centraal. Maar als we eerlijk zijn, organiseren we de zorg nog vaak vanuit ons eigen aanbod. De fysiotherapeut die zes behandelingen geeft omdat dat nu eenmaal het gebruikelijke traject is. De chirurg die opereert omdat dat technisch mogelijk is. Natuurlijk gebeurt dat vanuit de beste bedoelingen, maar de belangrijkste vraag wordt nog te weinig gesteld: wat heeft deze patiënt werkelijk nodig?
Die vraag raakt de kern van waardegedreven en passende zorg. Welke waarde voeg ik als zorgprofessional toe voor deze patiënt? Samenwerken is daarbij onmisbaar. Niemand zal hardop zeggen dat hij of zij niet wil samenwerken. Toch blijkt dat in de praktijk ontzettend moeilijk. Zeker wanneer de ander verder van je af staat. Een medisch specialist werkt vaak nog wel samen met een collega of met een verpleegkundige van dezelfde afdeling. Maar zodra het gaat om de huisarts, de thuiszorg, de gemeente of de publieke gezondheidszorg wordt het ingewikkelder.
Dat is niet vreemd. Onze samenleving is complexer geworden en ons zorgsysteem is daar niet op ingericht. Ook de financiering helpt niet mee. Samenwerking kost tijd, terwijl de beloning vaak nog vooral zit in de individuele behandeling. Zelfs als je wilt samenwerken, loop je tegen praktische vragen aan. Wie bel je bijvoorbeeld bij de gemeente? En als je dan iemand aan de lijn krijgt, hoor je vaak: ‘Hiervoor moet u niet bij mij zijn.’
We hebben het zorglandschap bovendien sterk ingericht rondom curatieve zorg en de individuele patiënt. Neem bijvoorbeeld Amsterdam, met meerdere ziekenhuizen. Het Amsterdam UMC heeft alleen al ongeveer 19.000 medewerkers, terwijl de plaatselijke GGD het met ongeveer 1.500 doet. Voor een stad van bijna een miljoen inwoners voelt die verhouding uit balans, zeker als we vinden dat preventie en publieke gezondheidszorg zo belangrijk zijn.
Michael Porter’s IPU’s
Het gedachtegoed over waardegedreven zorg, ofwel Value Based Health Care, door Michael Porter al meer dan 20 jaar geleden ontwikkeld, biedt hiervoor nog steeds een prima oplossing. Porter stelde al een simpele maar krachtige vraag: wat is waarde voor de patiënt? Opmerkelijk genoeg maken wij als zorgverleners nog steeds de fout die vraag zelf te beantwoorden. Terwijl we die juist aan de patiënt moeten stellen. Neem een 90-jarige patiënt met een gebroken heup. Als zorgverlener kun je dan zeggen: we plaatsen een nieuwe heup, zodat u weer kunt lopen. Maar misschien vindt die patiënt mobiliteit niet meer zo belangrijk, die wil vooral van de pijn af en dichtbij huis blijven. Dan kan een andere behandeling beter passen.
Porter pleitte daarom voor zogenaamde Integrated Practice Units (IPU's): teams van professionals die gezamenlijk rondom de patiënt georganiseerd zijn. Voor sommige aandoeningen doen we dat al. Maar bij veel andere zorgvragen sturen we patiënten nog steeds van de ene professional naar de andere.
Een mooi voorbeeld komt uit Zweden. Daar bleek dat veel patiënten na een heupoperatie langdurig misselijk waren. Geen van de betrokken zorgverleners voelde zich daarvoor verantwoordelijk. De chirurg keek naar de heup, de fysiotherapeut naar het herstel. Pas toen men zich afvroeg welke waarde men daadwerkelijk aan de patiënt toevoegde, kwam de ‘misselijkheid’ op tafel. Uiteindelijk bleek na onderzoek dat dat een bijwerking van de narcose was en kon het probleem worden aangepakt.
Dat geeft voor mij de essentie weer van passende zorg. Niet de vraag: wat kan ik doen? Maar: wat heeft deze patiënt nodig en hoe kunnen we daar samen aan bijdragen? Hoe beter zorgprofessionals met elkaar én met de patiënt in gesprek gaan over die vraag, hoe dichter we komen bij zorg die echt waarde toevoegt.